Boekgegevens
Titel: Rekenen en cijferen: rekenvoorstellen voor normaal- en kweekscholen
Deel: 1e stukje
Auteur: Man, C.J. de
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1892
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6398
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200055
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenen en cijferen: rekenvoorstellen voor normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
■32
10. Iemand heeft twee uurwerken. Het eene loopt per
etmaal 3 minuten voor en het andere 2 minuten
achter. Als men ze gelijk zet, na hoeveel dagen
zijn ze dan weer gelijk ?
11. A, B, C en D handelen en winnen 4 \ of f 436.
De inleg van A staat tot dien van B als 5 : 6,
die van A : C als 2:3, die van A : D als
4 : 7. Hoeveel heeft ieder ingelegd en hoeveel
ontvangt D van de winst meer dan B?
12. Een ambachtsman verteerde eiken dag juist een
dubbeltje minder dan hij op een werkdag ver-
diende. Daardoor kwam hij bij het einde van het
jaar f 38,50 te kort. Zoo hij per jaar 305 dagen
■werkte, hoeveel verdiende hij dan per dag?
13. Iemand leende op 12 Januari 1881 f 1200 ä 4 \
en 7 maanden later f 1800 a 5 Hij loste
zijne schulden af, toen de interest van beide som-
men evenveel bedroeg. Wanneer betaalde hij?
14. Hoe laat is het tusschen 9 en 10 uur als de wijzers
eener klok een hoek van 30° vormen?
15. A en B hebben samen f 160. Zoo A /" 14 minder
en B 4 gulden meer bezat, dan zou B tweemaal
zooveel als A hebben. Hoeveel heeft ieder?
16. Toen iemand van een stuk linnen en 40 M. ver-
kocht had, stond do rest tot het verkochte als
7:9. Hoe lang was het stuk?