Boekgegevens
Titel: Rekenen en cijferen: rekenvoorstellen voor normaal- en kweekscholen
Deel: 1e stukje
Auteur: Man, C.J. de
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1892
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6398
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200055
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenen en cijferen: rekenvoorstellen voor normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
verkoopt ze gedeeltelijk tegen f 1,25, gedeeltelijk
met 16^/3 ®/o verlies, waardoor hij juist den inkoop
ontvangt. Hoeveel % zou hij verloren hebben,
als de prijzen verwisseld waren?
15. Welk getal wordt 265812 grooter door er eene O
achter te voegen?
16. Een kleermaker heeft 72.2 iP laken noodig. Hoeveel
Meters van een meter breedte heeft hij noodig
te koopen, als het laken in de lengte zoowel als
in de breedte I/20 krimpt?
17. A en B kunnen samen een werk afmaken in SVj
week. Werkt A eerst week, dan kunnen zij
samen de rest in l'/g week doen. In hoeveel tijd
kan B. het werk alleen?
18. A en B hebben samen 738 gulden verdeeld. Het
van A 's geld is evenveel als het ^,'7 van dat
van B. Hoeveel heeft ieder?
19. A heeft voor het spel 1^/7 maal zooveel als B en
nadat hij 75 centen van B heeft gewonnen 11/2
maal zooveel als deze. Hoeveel heeft ieder?
20. Een graanhandelaar koopt 3 partijen graan, samen
250'/2 hl. a ƒ 4,20, / 6,30 en / 7,20 den
HL. Hij betaalt voor elke partij evenveel geld.
Uit hoeveel HL. bestaat ieder?
21. A handelt met ƒ 16000, B met ƒ 9000, C met
/ 12500, D met ƒ 14000 en E legt ƒ 5000 in.
Hoeveel moet E er bijvoegen om '/j der winst te
genieten ?