Boekgegevens
Titel: Rekenen en cijferen: rekenvoorstellen voor normaal- en kweekscholen
Deel: 1e stukje
Auteur: Man, C.J. de
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1892
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6398
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200055
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenen en cijferen: rekenvoorstellen voor normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
helft der hoDgto, die per seconde 2 dL doorlaat.
Als men al de kranen openzet is het vat in 75
sec. ledig. Men vraagt de inhoud van het vat.
19. Een jongen moest het getal 812530625 door een
ander getal deelen. Hij vergat het cijfer der
tienduizenden en daardoor werd zijn quotiënt
1170048 te klein. Wat was de deeler?
20. De aantallen guldens van A B en C verhouden
zich als 3 : 4 : 5. Als men het V3 deel van A's
geld met van B vermenigvuldigt, krijgt men
7225. Hoeveel heeft ieder?
21. Een boer gaat met eieren naar de markt. Daar hij
er 12 gebroken heeft, moet hij zijne eieren in
plaats van tegen 4,5 cent, tegen 5 centen per
stuk verkoopen, om evenveel te ontvangen. Hoe-
veel eieren had hij ?
22. Een vader is nu 5 maal zoo oud als zijn zoon,
doch over 6 jaar is hij slechts 3 maal zoo oud.
Hoe oud is ieder?
23. Wat is op één na het kleinste getal, dat bij dee-
ling door 125 en 200, tien tot rest geeft?
24. Als men een stuk laken verkoopt a ƒ 5 den meter,
dan wint men /' 45. Men wint nog 10 "/q als
men van 5 meter geene betaling krijgt. Hoelang
is het stuk?
25. Hoeveel uren, minuten en seconden is ^/n, van één
dag minder dan van twee dagen?