Boekgegevens
Titel: Rekenen en cijferen: rekenvoorstellen voor normaal- en kweekscholen
Deel: 1e stukje
Auteur: Man, C.J. de
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1892
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6398
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200055
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenen en cijferen: rekenvoorstellen voor normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
9. Als gij het aantal centen van A met V3 van het
aantal van B vermenigvuldigt, krijgt ge 16 maal
A's geld. Geeft A 10 centen aan B, dan hebben
zij evenveel. Hoeveel heeft ieder?
10. A verdient in drie maanden zooveel als B in 5
maanden; samen verdienen zij f 2400 's jaars.
Als zij ieder ƒ 100 willen overhouden, hoe ver-
houden zich dan hunne uitgaven ?
11. Een wijnkooper heeft 26 HL. wijn gekocht tegen
f 50 den HL. Hij verkoopt de geheele hoeveel-
heid aan een ander, die, nadat hij de hoeveelheid
met 7io water heeft vermeerderd, den HL. voor
f 55 verkoopt. Hoeveel % wint de laatste?
12. De som en het verschil van twee getallen doen
samen 900. Het derde deel van het grootste is 10
maal het verschil. Welke getallen zijn het?
13. Eenige jongens deelen noten. Waren er 4 noten
meer, dan kon elke jongen er 15 nemen. Daar
een jongen zijn deel aan de andere afstaat, kunnen
de overige elk 16 noten nemen. Hoeveel jongens
zijn er?
14. Herleid tot dagen, uren enz. ^/jj jaar. (Het jaar
gerekend op 365 d. 5 u. 48' en 48".)
15. De voorwielen van een rijtuig zijn 85 cM. en de
achterwielen zijn 1,05 M. hoog.
Als de laatste 1000 maal omgewenteld zijn,
hoeveel malen zijn dan de voorwielen rond geweest ?