Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Auteur: Guikema, H.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1842-1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 71-413
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200043
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Spreekwoorden, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 82 )
danig was gemeenlijk de nuttelooze en schandelijke leef-
wijze van onzen Hildebrand.
De vrouw was dit in het eerst geweldig tegen den zin;
maar langzamerhand gewende zij er aan en sloeg tot
onverschilligheid en achteloosheid over. De dienstboden
maakten echter misbruik van de ordelooze, ongeregelde,
onverschillige handelwijze van hunne hoofden. Des mor-
gens zeiden de knechten tot elkander: y^boer slaapt, wij
behoeven ons niet dood te arbeidend Des voormiddags
werkten zij nog al iets, dewijl het niet onmogelijk was,
dat de boer hen nog eens bij toeval zag. Doch des
avonds zeiden zij : „ boer is uit, nu kan het wat lijdend
Na den verrigten arbeid was het even, of het huis
scheurde, zoo ordeloos , zoo ongeregeld, zoo baldadig en
zedeloos ging het er toe^ Die het meest vloekte, was
de baas, — die het meeste getier kon maken, verwierf'
lof, — die de zoutelooste en vuilste redenen voor den dag
wist te brengen werd het meest toegejuicht. De kinderen
waren hier altijd bij, deden zelfs mede en zwolgen gre-
tig en met ruime teugen de grootste zedeloosheid in. De
vrouw was achteloos en onverschillig, bemoeide zich met
alles niet en scheen de woudvogelen voor haar huisgezin
ie laten zorgen, enWiXdébr^n^ was gelukkig liiet tehuis,
anders zoude hij misschien de anderen nog overtroffen
hebben.
De predikant van het dorp , die dit huisgezin eens
bezocht en naauwlettend gade geslagen had, zeide eens
tot eenen buurman van Hildebrand: „het is iuij onver'
klaarbaar, hoe juist alle huisgenooten met denzelfden
geest bezield, alle even traag in den arbeid, even ver*
kwistend, even zedeloos, ja wat zeg ik, bandeloos :
2/y/2." — „ Mij in het geheel nietzeide de buurman:
„zoo als de abt is, zijn de monniken, dat zegt: zoo ^
als de hoofden voorgaan , volgen de onderdanen,"
Lange jaren kon dit echter niet duren, Hildebrand 1
bragt in twaalf jaren tijds een groot deel van zijn ver- ■
mogen cn zijne geheele gezondheid en ligchaamskracht te r
zoek, en stierf aan de levertering. Zijne vrouw her--
trouwde met eenen losbol^ die in drie jaren het overschot*-
er door bragt, haar toen verliet en zich in dc krijgs- ■
dienst begaf, Dc jamilie ontfermde zich echicr over de-