Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Auteur: Guikema, H.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1842-1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 71-413
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200043
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Spreekwoorden, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 80 5
XLIV.
IN ZULKE ÏVATERBN VANGT MBN
ZULKE VISSCTIEN.
„Ach, vader!" zeide Oerlof toe zijnen vader, „mag
ik van namiddag wel naar onzen buurman? daar komen
een geheele troep jongens te spelen, en de buurman is
niet te huis."
„Neen," antwoordde zijn vader; „ik vrees, dat daar
niet veel, dan ondeugd geleerd en baldadigheid bedre-
ven zal worden: het is beter, dat gij te huis blijft.
G^r/ö/* schreide, en zeide: „Ik mag nimmer eenig plei-
zier hebben! ' — „Baldadigheid uit te oefenen, schel-
den, vloeken, zweren, zwetsen en getier maken, de
buren last en schade veroorzaken, de schuldelooze die-
ren kwellen, enz," zeide zijn vader, „dat mag niet
met den naam van pleizier bestempeld worden."
G(rr/ö/bleef te huis; doch zijn vader ging uit. Zoodra
de ongehoorzame knaap dit zag , ontsloop hij in aller
ijl zijne moeder en dat naar de jongens. Dan, hier
ging het nu eveneens, ja nog erger toe, dan'zijn vader
vermoed . had. Des avonds kwam Gerlof schreijende te
huis, met gescheurde en bemorste kleederen en een be-
bloed nangczigt. „Wat scheelt er aan?" vroeg zijne
moeder. „Ach! de ondeugende jongens*^hebben mij
bijna vermoord!" hernam Oerlof De moeder was boos
op de jongens en wilde, dat haar man er oogenblikkelijk
heen gaan zoude, en rossen de daders eens duchtig af.
Maar de vader zeide : „ Er is iemand anders , die eene
veel strengere kastijding verdiend heeft, dan de ondeu-
gende knapen, welke Oerlof zoo geteisterd hebben; en
dat is onze zoon.'*'* Ik heb het hem gestreng verboden,
er heen te gaan, dewijl ik maar al te wel wist, dat
vien in zulke wateren zulke visschen moest vangen, of
met andere woorden: y, dat die zich op slechte wegen of
in slechte gezelschappen begeeft, ook niets anders, dan
slechte uitwerkselen te wachten heeft'^ De vader nam
nu zijnen zoon bij den arm, ging met hem naar ach-