Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Auteur: Guikema, H.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1842-1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 71-413
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200043
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Spreekwoorden, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 6o )
herkent zijn goed en vraagt het weder terug; doch in
plaats van schuld te bekennen, wordt de eerstgenoemde
toornig, pakt hem bij den kraag en deelt hem eenige
onzachte slagen toe. De nabuur, die zich nu dubbel
verongelijkt gevoelt, snelt naar hec geregt en verhaalt
alles , onbewimpeld en overeenkomscig de waarheid. De
regtbank laat nu beide partijen voor zich komen,
leest aan den onregtvaardigen boer de aanklagte des na-
buurs voor, en vraagt hem: „ of hij hier ook iets tegen
in te brengen heeft?" — „Niets meer en niets minder,"
zegt de boer, „dan dac hec alles onwaar is, wat mijn
buurman tegen mij getuigt." — „ Kunt gij uw gezegde
ook, door getuigen buiten u, genoegzaam bewijzen?"
zeide de regter. „Hier," sprak de boer, ,,heb ik vier
jetuigen mede gebragt, die mijn heer geliefde te ver-
looren." De regter vroeg nu aan de getuigen : „ of zij
den boer ook kenden, ook familie van hem waren, of
in zijne dienst sconden?" Drie van hen verklaarden nu,
dac zij als knechten bij den boer dienden, en de an-
dere , dat hij er als arbeider werkte. „ Dan kan uw
getuigenis niet gelden," zeide de regter, „ want ik zou
vreezen, dac heczelve partijdig en niec met de waarheid
overeenkomstig zoude wezen. Maar kom! laat eens
hooren: heeft de boer wezenlijk dat stuk goed van
zijnen nabuur ontvreemd?" Allen antwoordden nu:
„Neen,mijn heer! het behoort eerlijk aan hem."
De regter. Heeft hij zijnen buurman ook geslagen?
Allen. Ook niec, mijn heer!
De regeer. Treedt maar af; want ik ondervind nu
duidelijk de waarheid van het spreekwoord: „Diens
brood gij eet, diens voorden gij spreekt^'' De regter
zeide nu toe den buurman: „ Hebc gij ook onparcijdige
getuigen?"
De buurman. Ja, mijn heer! hier zijn er twee.
De regter. Ook familie, dienstbaar, of goede be-
kenden?
Allen. Neen, mijn heer!
De regter. Kent gij het stuk goed, dat men zegt, dat
de boer van zijnen buurman ontvreemd zoude hebben?
A. Ik heb het zelf voor hem gemaakt, en hij heeft
hec mij betaald, mijn lieer!