Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Auteur: Guikema, H.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1842-1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 71-413
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200043
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Spreekwoorden, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 48 )
XXVI.
EEN HONGERIGE BUIK HEEFT GEENE OOREN»
Jndries^ een onverstandige, gevoellooze jongen, werd
door zijnen vader met het paard uitgezonden, om eene
boodschap in eene zekere stad te doen, die twaalf uren
van hunne woonplaats lag. Jndrics zorgde op reis
overvloedig voor zich zelv\ maar vergat onverstandig
genoeg zijn paard, dat hem dragen moest. Hij kwam ter
plaats, bond zijn paard op stal, gaf het noch eten
noch drinken, verrigtte zijne boodschap, ging weder tc
paard en nam de terugreis ann.
Even buiten de stad bij eene herberg gekomen zijnde,
waar een groote bak vol smakelijk gras, benevens een
emmer met water voor de deur stond, kon hij zijn paard
daar niet voorbij krijgen. Wat hij ook sprak , hoe hij
ook riep en scheeuwde van voort! voort! — hoe hij
het arme beest ook wreedaardig en onbarmhartig sloeg:
alles was te vergeefs, het paard ging regt uit, regt aan
op den bak los. De herbergier, die voor de deur stond,
lachte en zeide: ,yja vriend! een hongerige huik heeft
geene ooren^^ „Misschien heeft het arme schepsel dezen,
dag ook nog niet veel gehad."
„Wel, nog niets," Andries \ „doch mij dacht,
dat dit ook niet noodig was." „ Hebt gij zelf ook al
iets genoten?" vroeg de herbergier. „ Dat zou ik den-
ken! " hernam Andries; „reeds vijf malen op dezen dag.''
„En gij zijt onverstandig en onbarmhartig genoeg,"
hervatte de herbergier, „om uw paard te kunnen verge-
ten , dat bij de reis, die het arme beest moet doen ,
ook nog met den last van uw ligchaam beladen is?
„Foei! schaam u, gij onmeédoogend en onverstandig
wreedaard! Gij verdient de straf, die zékQX Turkseh
Keizer een onmeédoogend reiziger oplegde, die in eene
herberg ging , zich met alles verkwikte en zijnen zwaar
beladenen ezel zoo lang voor de deur liet staan , zon-
der denzelven iets te geven; waarop de Keizer dadelijk
beval, dat men den ezel ontladen en van alles zoude