Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Auteur: Guikema, H.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1842-1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 71-413
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200043
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Spreekwoorden, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 35 )
^fiie man moet wel zeer rijk wezen," zeide Reinier,
„daar, dacht mij, ieder zijner vakken een bestaan kondé
opleveren."
■ „Die gevolgtrekking is valsch , mijn zoon!" zeide
Reinoud; „want iets geleerd te hebben en werk van dat
geleerde te hebben, zijn twee zeer verschillende dingen."
„Ik wenschte parne dien zonderlingen man eens te
zien," zeide Reinier.
„ Dat kan wel geschieden zeide de vader, en schelde
dadelijk aan. De meid kwam voor, vraagde, wie er was,
en leidde hen naar binnen. De groote heer vroeg aan
Reinoud, wat hij verlangde, waarop deze sprak: „Ik
heb gezien, dat mijn heer, onder anderen, ook teeken-
meester en uurwerkmaker is; mijn verlangen is derhalve,
dat mijn heer mij , in den loop dezer week, vervaardigde
een teekenstukje, voorstellende; eene witte raaf, die
aan een afgekloven rif knaagt, —en daartegen overeen
zwarte vogel van die zelfde soort, welke zich aan een rijk
aas vergast. Daarenboven wenschte ik nog, dat mijn
heer mijn zakhorologie, dat slecht gaat, weder in orde
gelieve te brengen,"
„ Het is wel," zeide de groote man ; „ kom zaturdag
maar weder, dan zal het een en ander gereed zijn."
Toen zij het huis verlieten, zeide Reinier: „het schijnt
mij toe, dat deze man, met al zijne vakken, toch maar
een schamel broodje verdient."
„Ja," zeide de vader, „het scheen mij toe iemand
te zijn van twaalf ambachten en dertien ongelukken^
Met eene week haalde de vader het bestelde af, be-
taalde den kunstenaar en begaf zich naar huis; maar, ach !
hoe vonden allen zich nu in hunne hoog gespannene
verwachting te leur gesteld. Het teekenstuk was bene-
den het middelmatige, en weinig meer dan broddel'
werk. De volgels hadden meer overeenkomst met koek-
koekken, dan met raven; en het zakuurwerk was aan-
merkelijk minder geworden. „Uit deze beide vakken,"
zeide Reinoud, „ kan men nu, met genoegzame zekerheid,
tot de overige tien besluiten: zoo dat ik, op goede
gronden, meen te mogen veronderstellen, dat de ge-
waande groote geest een groote zwetser, een kwak-
zalver van de eerste soort is."
3*