Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Auteur: Guikema, H.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1842-1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 71-413
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200043
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Spreekwoorden, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerzame verhalen ontleend uit de Nederlandsche spreekwoorden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 9 )
woording voorscelden. De dwaze man , die van alles
zoo weinig begreep, als een vnii dc wislcunde, zac
met open mond le Inisceren naar de vragen en ant-
woorden , die hier onderling gewisseld werdon, en
hchce s O ni s • u u t hij schudde.
Eindelijk ging hij opstaan en zeide met zelfverheffing:
„ I\Tijne heeren! ik hoor wel, dac uwe geleerdheid nog
niet veel beteekent, en ik geloof zeer wel in staac te
zijn, schoon ik nimmer lezen of schrijven geleerd heb,
om u vele vragen te doen, die geen een uwer kan
beantwoorden."
Het gezelschap lachte om de verregaande dwaasheid,
vermetelheid en onbeschaamdheid van dezen man, en
deed den voorslag, dat men daarvan dan eens eene
proef moest nemen.
„Best zoo," zeide Egidius^ en nam eene houding
aan, alsof hij de wijsheid alleen in pacht had. „Be-
antwoorde mij dan eens," vervolgde hij: „ hoe vele
hoornen stonden er in het Paradijs f"
Met gezelschap lachte en gaf geen antwoord. „ Daar
gij dit niet weet," zeide hij , „zoo zal ik u eene an-
dere vraag doen: „ hoe vele sterren zijn er dan wel aan
den hemel?"''
Ook deze vraag werd slechts met lagchen beant-
woordt,
„ Ik zie welzeide Egidius, „ dac ik wat lager
moet dalen. Zegt mij dan : hoe vele kannen water
bevat de zee wel?'*'*
Op deze vraag kwam weder geen antwoord.
Onze vrager werd stouter, en zeide: „Wel nu, zegt
mij dan eens: hoe vele haren ieder uwer op zijn hooj'd
heeft r'
Deze vraag werd weder met lagchen beantwoord.
„Gij draagt den naam van geleerden," zeide Egidius;
„ maar gij schijnt mij toe olie^domme menschen te
zijn. Nu wil ik dali nog eene vraag doen, en die is:
hoe. vele menschen hebben er al sedert Adam op de
■wereld geleefd?"''
De voorzitter van dit gezelschap ging nu opstaan ,
en zeide: y^Egidius! thans wil ik, uit naam van ons
gezelschap, al uwe vragen in eens beantv^oorden. Luis-