Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
de wonderbare droom. 7!)
Waarvan de Schrijver ons 't verhaal dus geeft te lezen:
Toen ik, (zoo zegt hij) me eens in zek're kerk bevond
En de oogen gaan liet in het rond,
Rees 't denkbeeld bij mij op: — »Wie zou de vroomste wezen
Der duizenden, die hier den Hemel hulde biên!"
Zoo dacht ik, viel in slaap, en raakte toen aan 't droomen:
Ik zag dea heiligdoms Beschermgeest nederkomen.
»Wenscht gij," dus sprak hij, «hier het vroomste hart te zien?"
Hij stak zijn regterhand, dit vragende, uit, en roerde
!Mijne oogen aan: hetgeen me als aan mij zelv' ontvoerde.
Ik voelde door mijn leên een zachte huivering.
En 't was of ijlings mij een zuiver licht omving.
« Ga!" sprak de Geest, « doorkruis deez' kerk in alle hoeken,
«En hij, die door uw glans geraakt in zulk een gloed ,
//Dat hij u driemaal kust, die heeft het vroomst gemoed."
Ik ging terstond om dit naauwkeurig te onderzoeken,
En kwam, door dezen glans bestraald, de Sakristij
Eeeds een en andermaal voorbij.
Dewijl 't mij toescheen dat men daar mij wilde kussen.
Ik wachtte een lange poos, doch kwam niet tot mijn doel.
't Is waar,'k werd eens gekust, doch 'twas maar flaauw en koel.
'k Ging naar de Koorkapel intussehen.
Waar ik de grootste blijken vond
Van vroomheid in gelaat en houding, en terstond
Was bij mijn komst op aller wezen
Eene ongedwongen vreugd te lezen.
Men lachte vriendelijk, men toonde zich galant.
Doch kuste mij te naauwernood de liand.
Daarop liet ik mij zien ('k was hooger op getreden)
Aan lieden, die en ernst en wijsheid blijken deden.
Ik bleef een tijdlang staan, daar elk mij aanzag; maar
'k Werd uit hun houding en gelaat welhaast gewaai-,