Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
de kwartel en de vlasvink. 65
'/ Iksprak hij, » zag vol teed're min,
//Hier in dit kooitjen, een vriendin.
// Zij riep, en ik, door drift bewogen
i'Om haar te zien, kwam toegevlogen.
«Xu weet ik niet, wat list mijn voet
// Aan deze roede kleven doet."
»Gij," vroeg de Kwartel, //zaagt die niet?
// Uw wuften aard is regt geschied.
//Men moet, om tot geluk te raken,
'/Zorgvuldig voor zijn vrijheid waken.
'/Hij is nabij zijn val gebragt,
*Die zich uit hoogmoed veilig acht."
DE HELD EN ZIJN KNECHT.
Een Held — die in den krijg zich altoos dapper weerde.
Verscheiden slagen won, veel landen overheerde,
En zich den lauwerkrans met regt zag toegewijd —
Week eind'lijk, zwaar gewond, na eeu verloren strijd,
In 't diepste van een woud, om't krijgsgevaar te ontvlieden,
Waar hem een Kluizenaar ih 't vlugten tegen kwam,
Die onzen Krijgsheld en zijn Knecht straks tot zich nam ,
Om in hun nood hun hulp te bieden.
Hun dood scheen zeer nabij. Met tranen in 't gezigt
Sprak toen de Knecht: n Zoude ik wel in den hemel komen ?
'/ Ik arm onwaardig man! Wat goeds heb ik verrigt,
//Dan paarden opgepast? —
'/Mijnheer integendeel behoeft geenszins te schi-oomen: