Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
DE KWAETEL EN DE VLASVINK.
Een Kwartel, die den vogelaar
Ontsnapte, zag, na 't lijfsgevaar.
Den Vlasvink trotsch zich tot hem wenden.
u Wie," vroeg hij, u durfde uw veders schenden ?
"Mij deert uw ramp. Ei! zeg, hoe 't kwam,
n Dat u het net gevangen nam."
»'k Sloeg, naar mijn aard, te gretig 't oog,"
Dus sprak hij, // op die vlakte, en vloog
»Straks neder, waar 't mij kon bekoren,
u Den toon van liefde en vreugd te hooren;
»Maar 'k had mij naauwlijks neergezet,
» Of ik bevond mij reeds in 't net."
» Hoe!" zei het Vinkje, » zaagt gij 't niet ?
» Uw wuftcn aard is regt geschied.
»Men moet, om tot geluk te raken,
» Zorvuldig voor zijn vrijheid waken.
»Hoe groot, hoe sterk mijn lust ook zij,
» Men vangt mij nooit: geloof dit vrij!"
Hij vlood, en riep nog: » sla dit ga!"
Waarop de Kwartel, kort daarna.
Hem, die deez' les hem had gegeven,
Zag op een vogelroede kleven.
Dus vroeg hij op zijn beurt, hoe 't kwam
Dat hem de roe' gevangen nam.