Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
DE W A N D E L A A E.
Een AYand'laai- bad het Hoofd der Goden,
Wien alles dient op Zijn geboden,
In storm, om stilte en zonneschijn.
Vergeefs: Hij laat zich niet bewegen:
De Hemel woedt met wind en regen,
't Weer irioed dien dag onstuimig zijn.
De Wandlaar zet nu, onder 't klagen
Hoe wreed de Goon de menschen plagen.
Zijn lange reis met moeite voort.
Zoo dikwijls nieuwe bnijen woeden,
En hem beletten voort te spoeden.
Uit hij op nieuw een last'rend woord.
Een schuilplaats tegen 't woên der winden
Tracht hij in 't naaste bosch te vinden:
Daar hoopt hij 't buld'rend weêr te ontgaan.
Docli eer hij 't bosch is ingetogen,
Verschijnt een Roover voor zijne oogen:
Hij blijft als vastgenageld staan.
De Eoover treedt hem grimmig tegen.
Grijpt naar zijn boog, die door den regen
Verslapt was, en legt op hem aan.
Maar juist verheft een bui zich weder.
En werpt den pijl op 't aardrijk neder
Vóór hem, dien hij door 't hart moest gaan.