Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
42 de schilder.
Indien uw schrift aan kenners niet behaagt,
Dan hebt gij reden 't af te keuren;
Maar zegt een gek, dat gij gelukkig zijt geslaagd,
Dan kunt gij 't vrij in stukken scheuren.
DE JONGE EEND.
Een Hen geleidde in 't jeugdig gras
Haar Kiekentjes, waarbij een Eendje was,
Van 't zelfde broeisel voortgekomen.
Allengskens naar den tuin gegaan,
Wijst de oude aan't kleine kroost den kost door't klokken aan,
En ieder volgt, zoodra haar roepstem wordt vernomen:
Want zij gebiedt met teed're kindermin;
Het Eendje rept zich mee, doch komt den tuin pas in.
Of ziet den vijver, dien het nimmer zag voor dezen.
En loopt en baadt zich in het helder nat.
Klein diertje! hoe! gij zwemt? Wie leerde u dat?
Begeeft ge u dus te water zonder vreezen?
Zoudt gij in 't zwemmen reeds ervaren wezen?
De Hen wordt naauwlijks dit gewaar,
Of toont, door de opgezette veren,
Door tienmaal heen en weer te keeren,
Haar angst om 't roekloos kind te redden van 't gevaar.
Zij geeft zich tienmaal op, doch aarzelt gansch verlegen;
Want van natuur staat haar het water tegen.
Maar de Eend zwemt rustig door, als waar'hij 't lang gewend—
Dit immers is zijn element —