Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
DE HOND.
Phylax, die zoo menig nacht
Hield voor huis en tuin de wacht,
En geheele dievenbenden
Door zijn blaffen af kon wenden; —
Phylax, die den stoutsten gast.
Tulliaan, wien elk moest duchten.
Zelfs tot tweemaal dwong tot vlugten,
Werd door koortsen aangetast.
Al de buren gaven raad:
Kruidendi-ank en Mithridaat
Moest hij walgend binnenslikken,
Om zich naar hun zin te schikken.
Zelfs een hospes, die — voorheen
Uit een vreemd gewest gekomen —
't Doctorschap had aangenomen.
Moest vergeefs zijn kunst besteen.
Naauwlijks werd de maar' verspreid
Van des Honds onpaslijkheid.
Of zijn broeders en zijn vrinden
Lieten straks zich bij hem vinden.
Pantalon, zijn beste maat.
Lekt zijn heeten mond en wangen.
Zucht, en roept, van angst bevangen:
»Ach! wie dacht zulks? Ach! wat raad?"