Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE BOEK EN ZIJN ZOON. S3
pMaar zeg u, en ik zou 't een ieder durven zeggen,
H Ik heb er een gezien, 't zij gij 't gelooft of niet,
a Die hond liep bij... den Haag, op een der buitenwegen,
H Die regt naar.... Frankrijk leidt.., ja, daar kwam ik hem tegen .
ff Hij was, of'k ben een sehiu'k en geen geloof meer waard,
ff Zoo groot, ja grooter, dan uw allergrootste paard,"
ff Wel Zoon," sprak de oude man , ff't is zekerlijk iets wonders,
ff !^[aar ieder landstreek heeft haar eigen zeldzaamhecn,
ff Wij hebl}en hier ook iets bijzonders,
ff Bij voorbeeld, gindsche brug, die we over moeten trecn:
u Die brug heeft velen reeds bedrogen:
ff 't Is daar niet pluis, mijn Zoon ! op 't midden ligt een steen,
ff Waarover, wie 't ook zij, die onlangs heeft gelogen,
ff Onfeilbaar valt en breekt een beem"
Johan werd bleek van schrik, toen hij dit had vernomen,
ff Ja," sprak hij, n 'k zie daar ginds de brug al in 't verschiet:
//Maar, Vader! loop zoo haastig niet.—
ff Doch, om weêr op den hond te komen;
ff Hoe, zeide ik, was hij? als uw grootste paard, niet waar?
ff Dat is ook schriklijk groot; ik zou mij schier verzinnen:
ff Zoo groot was hij wel niet: neen, 't schiet mij nu te binnen ,
ff Het beest was nog niet oud, op ver na nog geen jaar;
ff Ik nam het wat te ruim: het oog kan ligt bedi'iegen...
ff Hij was toch als een os: dat is nu zonder liegen."
;Men nadert vast. Johan wordt aarz'iende in zijn schrecn.
Het hart klopt hem van angst, AVie zou ook niet ontstellen?
AA'ant niemand breekt toch gaarne een been.
Hij ziet met schrik de brug, die 't vonnis haast zal vellen,
En voelt alreeds de beenbreuk lialf,
ff Ja, Vader!" zegt hij, ff ja! de hond, waarvan wij spraken,
ff Was groot, en, scheen ik hem wat al te groot te maken
ff Hij was ten minste toch veel grooter dan een kalf."
2**