Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
30 DE TWEE KNAAPJES.
Zij breidelen liun hart door kraeht van redeneren.
Op om onnooz'len heeft de dwaasheid vat, maar zij,
Zij laten nimmer zich door dwaasheid overheeren.
TFij laten 't anderen, wanneer we iets zots bestaan,
Ter goeder trouwe zien, en denken er niet aan.
Dat wij ons zelv' te buitengaan.
Maar elj, die zoo geleerd zich ied're dwaasheid schamen,
Begaan diezelfde daad, die ze ons zoo kwalijk namen,
Gewis uit deugd; — maar eerder niet
Dan als het niemand ziet.
HET JONGE MEISJE.
Een jong'ling, het belang eens vriends zeer toegedaan,
Sprak, voor dien vriend, een Heer om zijne Dochter aan.
De Vader, niet gezind zijn kind nog uit te trouwen.
Vond echter door dien voorslag zich gevleid,
En vroeg dien vriend, met alle minzaamheid,
Bij hem het middagmaal te houên.
De Dochter, schoon de Vader zich niet uit.
Beseft welhaast de zaak, en komt tot dit besluit;
//Een Heer, ons vreemd," zoo denkt ze, //blijft hier eten!
//Wat voert hem hier? Ik zou 't niet weten.....
u Voor niet groet hij mij zoo beleefd, zoo vriendlijk niet!
//Is 't ook om mij, dat dit bezoek geschiedt?"
De jong'ling, die nog hoopt in zijnen last te slagen.
Besluit, terwijl men blij den beker rond laat gaan.