Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
DE LOSBANDIGE ZOON.
Een Vader zag zich alle dagen,
Gelijk veel Vaders, door een wilden jongen plagen.
Nooit werd iets dwaas, iets stouts bestaan,
Of altijd had Johan, zijn kwade zoon, 't gedaan.
De Vader wist naauw raad om in de stad te blijven:
Want dikwijls ging 't vergrijp zijn eigen eer te na.
Hij zond — op hoop dat dit zijn grillen mogt verdrijven —
Hem twee jaar naar Amerika,
Hoe zuur ook Moeder zag: want moeders zijn wat teeder.—
En hielp het wat? — Johan kwam weder, —
Maar wie was erger dan Johan?
De Vader en des Vaders broeder
Besloten beiden, als één man,
In weerwil van de teed're Moeder,
Dat haai- Johan, die naar geen rede luist'ren wou.
Voortaan den trommel volgen zou.
De losse Zoon, die naar die keus zich moest gedragen,
Werd dus, naar 's Vaders wil, soldaat:
En dit was ook de beste raad.
Want, hoe de krijgsdienst ook aan velen moog' mishagen,
Meer tot een and'ren stand gezind , —
Nogtans werd menig troetel-kind
Zoodra hij 't krijgsmanspak moest dragen.
Verbeterd door een man, versierd met de epaulet,
Die tot zijn pligt hem dwong, in spijt van zijn verzet.
Maar ook deez' proef werd vruchtloos ondernomen:
Johan gedroeg zich als een woelzieke onverlaat.
Men liet weldi'a den Vader komen.