Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
18 DE LEEUTVEKIK EN DE NACHTEGAAL.
Des Leeuwriks mind're kunst liet blijken.
»Aeli!" sprak nu deze, //klonk mijn toon
'/ Ook zoo verheven en zoo schoon,
» Zoodat mijn zang zijn' zang niet had te wijken!"
Hij uit deez' wensch, en zingt weldra
Met ijverzucht zijn vlug gebuurtje na:
Verliefd op 't vreemd beloop der stemveranderingen,
Vermoeit hij zich, en wil den aangeboren toon
Door nieuwgeleerd muzijk verdringen____
En krijgt, voor al zijn moeite, in 't eind 't geluk ten loon,
Vau, vol gebreken, een kanariezang te zingen.
De Nachtegaal, die lang geluisterd had, sprak toen:
Hoe schrander toont ge u met ons beider oor te plagen!
Natuur had u geleerd, u trefi''lijk voor te doen,
En nu loert u de dwang, gebrekk'lijk u gedragen.
Elpin dicht schoon, doch naar den lagen kant;
Cleant, integendeel, op een verheven trant.
Elpin wil met geweld Cleant hierin gelijken.
Maar ach! wat krijgt hij tot zijn loon?
Hij zoekt Cleant te steken naar de kroon.
Hij aapt hem na, — en moet hem wijken,
En schrijft en denkt voor niemand schoon.