Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE SPIN.
Hoogmoedig op haar kunstbeleid,
Sloeg, uit haar weefsel ijl en teeder,
Een Spin, vol trotsehe afkeerigheid,
Hare oogen op een' Zijworm neder, —
Niet minder trotsch dan een pedant.
Die, opgeblazen om zijn gaven,
In werken van zijn eigen hand
ïot aan de keel toe zit begraven.
En voor den leerling, die hem groet,
Zijn oog naauw halfweg open doet, —
De Zijworm — die, voor weinig stonden,
In 't zelfde huisvertrek een woonplaats had gevonden —
Houdt lang 't gezigt gevestigd op de Spin,
En vraagt in 't eind : //Wat heeft iiw arbeid in ?"—
//Onwetende!" laat zich de Spin verbitterd hooren,
// Hoe kunt ge mij door zulke vragen storen ?
//Ik weef een werk voor de eeuwigheid!"
Maar naauw geeft zij dit trotsch bescheid,
Of 't kamermeisje grijpt den raagbol in haar handen,
Verdelgt daarmede, in 't reinigen der wanden,
De Spin, haar werk, en de eeuwigheid.
Hoe groot uw kunst ook zij, hoe wijs ge ook zijt, hoe vaardig,
Zoo gij niet nuttig zijt, blijft gij belagclienswaardig;
Geen vlijtige pedant kan ooit naar glorie staan:
Want hij veri'igt niets meer dan zij die lediggaan.