Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
de historie van den hoed. 143
't Behaagt het volk, 't juicht allerwegen;
//Nu is de kunst ten hoogsten top gestegen!
»AI 't geen voorheen te voorschijn werd gebragt,
// Is niets bij 't geen /«}' heeft bedacht."
Hij stierf, en liet, bij zijn versterven.
Den omgeboorden Hoed zijn' Erven.
Einde van den eerden Zang.
Een tweede Zang zal u te kennen geven.
Wat met den Hoed al verder is geschied.
Geen erfgenaam die hem in zijn gedaante liet:
Het buitenwerk werd nieuw, de Hoed is oud gebleven.
En, om u 't al te doen verstaan:
't Is met de Wijsbegeerte als met den Hoed gegaan.
S E L I N D E.
De schoonste maagd, zoo in gelaat als leden,
Selinde , vol bevalligheden,
Schoon, zoo 'k haar vergelijken mag.
Schoon als het morgenrood en blinkende als de dag;
Selinde moet zieh laten portretteren.
Zij weigert zulks: de Schilder liet niet af.
Hij bad, tot zij haar woord hem gaf; —
Hij zou getrouw haar treffen, dorst hij zweren. —
Ze vraagt hoe hoog hij dient betaald.
(Ik had gewis haar beeld om niet gemaald: