Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
143 de historie van den hoed.
De Hoed was vuil. 't Heeft vrij wat schijn,
Want zeg, hoe kon het anders zijn?
De vierde moest hem nu reeds dragen.
Deez' verwt hem zwart. Dit kon behagen.
// Gelukkige inval! (riep de Stad:)
ff Wie heeft dit ooit voorheen bevat?
//Beschouwt de kunst der stervelingen!
// Die groote geest vindt wond're dingen:
M De witte Hoed moet aan een kant;
//Zwart, Broertje! zwart! dat is de trant." —
Hij stierf, en liet, bij zijn versterven.
Den zwarten Hoed zijn' naasten Erven.
Zijn nazaat kreeg met vreugd dien buit;
Maar zie, de hoed was half versleten.
Hierop vond liij een kunstgreep uit,
Die geen der and'ren had geweten:
Hij wascht, hij perst, hij maakt hem schoon.
En spreidt zijn kunst aldus ten toon.
Nu gaat hij uit, en, opgetogen,
Staart ieder met nieuwsgierige oogen.
Men juicht: //Een nieuwe Hoed! heil 't land,
// Waar zulke wakk're mannen leven!
// Wie kon den Hoed een luister geven,
// Zoo als hij kreeg door deze hand!" —
Hij stierf, en liet, bij zijn versterven,
Den schoongemaakten Hoed zijn' Erven.
Ervaring maakt den kunst'naar groot,
Doet bij den nazaat lof behalen:
Hij, die den Hoed van 't snoer ontbloot,
En met een fraaijen kant doet pralen,
Voegt ook een gouden knoop daarbij,
En zet — wat nieuws — den Hoed op zij'.