Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
141
DE HISTORIE VAN DEN HOED.
Eerste Zang.
Hij, wiens vernuft der mannen pracht,
Den Hoed, het eerst te voorschijn bragt,
Droeg dien op 't hoofd, onopgeslagen;
De slappe rand hing rondom af, —
En echter wist hij dien te dragen.
Dat hem de Hoed toch aanzien gaf. —
Hij stierf, en liet, bij zijn versterven.
Den ronden hoed zijn' naasten Erven.
Zijn zoon weet echter met den Hoed
Niet al te wel te regt te komen:
Hij peinst, en waagt het, kort en goed,
Twee zijden daarvan op te toomen.
Hij stelt hem dus aan 't volk ten toon;
't Vindt die vertooning ongewoon;
Elk roept: * Nu staat de Hoed eerst schoon!"
Hij stierf, en liet, bij zijn versterven.
Den opgeslagen Hoed zijn' Erven.
Zijn nazaat neemt den Hoed, en spreekt:
//Ik zie wel wat er aan ontbreekt:
//Het voegt ons, als we cr wel opletten,
'/De derde zijde ook op te zetten."
// ö (Riep het volk:) wat groot verstand!
//Dit strekt tot eer van 't Vaderland!" —
Hij stierf, en liet, bij zijn versterven,
Den opgetoomden Hoed zijn' Erven.