Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
136 de uonigbij en de hen,
]\Iaar 'k bid u, kunt ge zoo iets vragen,
Daar ge aan u-zelf zoo duidelijk ziet,
Hoe zij door een verzonnen lied
Aan minverstandisen de waarheid voor kan dragen?
DE EEIZEN.
Een Vorst maakte eens in al zijn Staten
Tot vaste wet, dat elk der Onderzaten,
Die cenig ambt begeerde, een zek'ren tijd
Moest reizen, om in nutte zaken,
In kunst en wetenschap zich te oefenen met vlijt.
Hij liet hiertoe naauwkeur'ge kaarten maken;
Hem, die zoo verre als mog'lijk was zou gaan,
Beloofde hij, om klem aan zijn bevel te geven,
Ook met zijn schatten bij te staan.
Nooit was een wet zoo duid'lijk voorgeschreven.
Maar wijl, uit vrees, een reis den meesten tegenstond,
Is 't gansch niet vreemd dat elk het voorschrift duister vond.
Elk toch was reeds te vrecn met zijne kundigheden,
En de eigenliefde hielp den zin der wet ontleden:
Een ieder gaf den zin daaraan.
Die 't beste met zijn neiging kon bestaan.
Doch hierin was men 't eens: men moest gehoorzaam wezen.
Men onderzocht terstond de kaarten éen voor één,
Waarop de ligging van de landen was te lezen.
Zeer velen reisden dus, doch in den geest-?i[\Qcn.
De reis was dan volbragt naar hun gedachten.
Men zag er and'ren ook, die ras
Al 't noodige in gereedheid bragten.
En waanden dat, wanneer men slechts reisvaardig was.