Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
de 11 o n 1 g b ij en be hen.
135
u Want als wij op de bloemen dalen,
tf Geschiedt zulks niet om eigen buit:
//Wc zuigen er den honig uit,
// Om and'ren mild daarop te ontlialen. —
//Gaat onze vlijt in stilte voort,
// En wordt, als wij in warme dagen
// De honig naar de cellen dragen,
ff Van ons, gelijk van u, geen heesch geschreeuw gehoord:
ff Denk dan, dat wij een afkeer voeden
ff Van al wat zweemt naar trotschen schijn;
ff Dat hij, die onzen aard en arbeid wil bevroeden,
ff Oplettend en bedaard moet zijn,
ff Om in die duizenden vertrekken
ff Geregelde orde en kunst en nijverheid te ontdekken,
ff Natuur heeft ons nog, bovendien,
ff Van eenen angel wijs voorzien,
ff Om hen te straften, die vermeten
ff Datgeen bedillen en versmaên,
ff Waarvan zij zelf het minst niet weten :
ff Ik raad daarom, ó Hen! ik raad u heen te gaan."
ó Spotter, van verwaandheid dronken,
Die trots de Poëzij veracht!
U wordt deez' schilderij geschonken,
Opdat ge weet waarmee gij lacht.
Het beeld der ]3ichtkunst is te lezen
In 's Bijtjes aard en noest gedrag:
Verkiest gij nu de Hen te wezen,
Dan heeft de fabel haar beslag.
Gij vraagt: ff wat nut er is gelegen
ff In 't oefnen van de Poëzij?
ff Geen stichting wordt er door verkregen,
ff Zij zet het brein geen kennis bij."