Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
133
HET PAAED EN DE HOEZEL.
Een Paard, gelijk er weinig waren.
Van pooten fijn, vlug, schoon en stout,
En — als een mensch — trotsch van gebaren,
Droeg eens zijn meester door een woud. —
't Hield trotsch het hoofd omhoog geheven.
Toen juist een Horzel zonder schroom,
Op vlugge vlerkjes voortgedreven.
Zich neerzette op zijn blanken toom.
Ze lekte 't schuim, dat ze overvloedig
Eomdom 't gebit vergaderd vond. —
/' Vertrek , vermet'le!" riep het moedig
En briesehend Eos: »vertrek terstond!
n Vertrek, of 't kostte u ligt het leven!
« Durft gij een Paard verbitt'ren ? spreek!
u Zoo 'k slechts het hoofd schud, moet gij beven."
Hij schudde 't hoofd, de Horzel week.
Doch 't beestje wist zich snel te wreken,
Het vloog, om hem regt fel te steken.
Tot in zijn neus en liet niet los.
't Paard springt al steig'rend heen en weder,
Baakt met zijn ijzers vast, stort in de struiken neder.
En breekt een been: daar ligt nu 't moedig Eos.
Der kleinen haat op zich te laden
Benadeelt soms den grootsten man:
Wie u als vriend niet helpen kan.
Kan dikwijls u als vijand schaden.