Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
120 gods vooezienigiieid.
Al wat toekomende is blijft met een wolk omtogen;
En durft ge u vleijen, gij, die zoo gebrekk'lijk ziet.
Te ontdekken waarom juist, hetgeen gebeurt, geschiedt ? —
't Eegtvaardigst Wezen kan in Zijn besluit nooit feilen:
Al blijkt het u niet klaar in elks bijzonder lot. —
Zoudt gij den waren grond van ied're schikking peilen.
Dan moest ge, ó sterveling, gelijk zijn aan uw God.
't Zij u genoeg Zijn wil met diepen ootmoed te eeren,
Schoon 't doel door uw verstand ook niet wordt nagespeurd. —
Laat u een Joodseh verhaal deez' groote waarheid leeren,
Dat alles wat God doet om wijze reên gebeurt,
Dat Zijn beschikking, het beleid eens Gods wel waardig,
Hoe streng ze ons schijnen moog', volmaakt is en regtvaardig.
't Gebeurde als Mozes eens den berg beklommen had,
En daar om klaarder licht en grooter kennis bad
Van 't eeuwige besluit en 't lot der stervelingen,
Dat hij bevel ontving van d'Oorsprong aller dingen
Om in het dal te zien, waarop hij 't oog nu slaat.
Hier vloeide een klare bron. Een reizende Soldaat
Steeg van zijn paard en dronk. Deez' was naauw weggereden,
Wanneer een herdersknaap zijn kudde een poos verliet.
En ook hier 't bronnat drinkt, waar hij een geldbeurs ziet
Die, ongemerkt, aldaar den eersten was ontgleden.
Hij neemt ze, en snelt straks heen. Een stramme grijsaaril komt
Almede aan deze plaats: door ouderdom gekromd,
En leunende op zijn stok, zinkt hij vermoeid ter neder;
Terwijl zijn grijze hoofd al meer naar de aarde bukt,
Tot hij, in slaap, vergeet hoe de ouderdom hem drukt.
Maar in dien tusschentijd komt hier de ruiter weder.
Die nu den grijsaard dreigt, en, met een woest geweld.
Van hem 't hergeven eischt van zijn verloren geld.
De grijsaard zegt en zweert, dat hij niets heeft gevonden.
De krijgsman dreigt en vloekt terwijl de grijsaard beeft;