Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE EEND. 119
» Och niets! uw gang kon mij behagen:
« Gij weet fraai buitenwaarts te gaan.
« Hoe lang hebt gij die kunst verstaan ?
«■Dit heb ik u slechts willen vragen:
1 Hoe leerdet gij dien schoonen dans ?"
// Ik wilwas 't antwoord van de Gans,
« ü graag voldoening hierop geven,
//Voeg u daarom slechts aan mijn zij,
»En hou al wand'lend dan gelijken tred met mij."
o Kleinen, die door waan gedreven,
Eerst regt gcnoeg'lijk 't hart ophaalt,
Wanneer gij op de grooten smaalt.
En duizend feilen meent in hun gedrag te ontdekken.
Terwijl ge u vrij waant van die vlekken!
Misschien, al ziet ge 't niet, verbergt uw lage staat
Uw neiging tot hetzelfde kwaad.
Waarom de wereld ook met u den spot zou drijven:
Dit leere u in de laagte blijven.
GODS VOORZIENIGHEID.
Wie zijt ge toch, o mensch! die naar de kennis streeft
Van 't Godlijk raadsbesluit, in Zijn bestuur en werken?
Weet ons beperkt verstand dan 't doelwit op te merken.
Hetgeen de Oneindige bij Zijn beschikking heeft? —
't Is waar, wat thans gebeurt schijnt duidlijk voor uwe oogen,
Doch reeds 'tverledene is voor u zoo duid'lijk niet: