Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
116 b e f ij n e.
Eu schoon haar zestigst' jaar reeds is voorbijgegaan,
Eoept zij den Heer nog steeds om kracht tot kuischheid aan.
Schoon zij genoegzaam nooit heeft haar bekomst gegeten.
Toch bidt ze God gestaag om matigheid in 't eten.
Hoewel zij daaglijks geld op panden geeft ter leen,
Nogtans zucht zij om troost in haar behoeftigheên. ■—
Wat deugdzaam hart! wat heilig zielsvertrouwen!
Zij leest haar kerkboek door zes malen in het jaar,
En weet daardoor haar huis te hoeden voor gevaar,
En zich voor eeuwig uit des duivels klaauw te honen.
Twaalf liederen heft zij daaglijks aan.
Wie daar?., een arme., hoe! wat durft die man bestaan ?
Ga, onbeschaamde! ga! zoudt ge in haar zang haar storen ?
Vertrek; wanneer zij zingt kan ze immers u niet hooren.
Ga! lijd gebrek gelijk gij zijt gewoon.
Zij heft haar hart thans tot Gods troon;
Zou zij dat hart nu van den hemel wenden,
Om 't oog te slaan op u, op armoede en ellenden ?
Zij zingt; en zingend zet zij 't eten op den disch:
Zij eet; en etend smaalt ze op 't diep verderf der tijden.
Daar wordt geklopt. Wie of er is ?
Eene oude vrouw, die zwaar gebrek moet lijden,
Wier armoe zelfs geen stukje brood.....
ff Ga, kwel mij als ik eet, toch niet met uwen nood.....
ff Gij zingt noch bidt , dit lijdt geen tegenspreken,
ff Wees vroom, doe wat uw pligt gebiedt:
ff De Heer verlaat de Zijnen niet.
ff Wanneer toch bedelde ik? — men moet, in zijn verdriet,
ff God vurig om Zijn bijstand smeeken." —
Dus ijvert zij. Maar is die vrome vrouw veelligt
Niet -wat te hard, te streng in 't oef'nen van haar pligt?
Is 't geen gevoelloosheid veel eer dan mededoogen?
Neen, neen! zij wil tot nut der armen dit bestaan;
Eekeert hen door verwijt; stelt stout hun *t kwaad voor oogen J