Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET SIJSJE.
'/Die schoon gekleurde ved'ren toonen,
» Dat dit de lieve zanger is.
f Men kan aan 's and'ren vale vlerken
'/En pluim, die glans heeft noch sieraad,
« Voorzeker even duid'lijk merken,
//Dat de zangkunst niet verstaat."
Nu zeg me, of, in 't gewone leven.
Do mensch niet als die knaap besluit!
Waar zwier en kleed'ren aanzien geven,
Munt ook de man in wijsheid uit.
Laat slechts Adoon ons tegenkomen,
Men houdt hem straks voor groot van geest.
Waarom? hij heeft ons ingenomen
Door schoon gelaat en kloeke leest.
Zien we iemand, in wiens kleed'ren, oogen
Of houding, niets bevalligs zweeft.
Men denkt, te ligt door waan bedrogen,
Dat hij verstand noch oordeel heeft.
DE DANSENDE BEEK.
Een beer, die lang den kost met dansen hier moest winnen,
Ontkwam, en vond welhaast zijne eerste woonplaats weer.-
Hij zag, gelijk voorheen, zich door zijn broeders minnen;
En met een blij gebrom begroette men den beer.