Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
lOG DE WO E KEK AA 11.
Dus peinzend staande voor 't gebouw,
Kwam hem een schrander vriend te voren,
Van wien hij gaarne wilde liooren
Of 't nieuw gebouw hem kon bekoren :
Hij vroeg of 't groot genoeg voor de armen wezen zou.
// Ja!" sprak die vriend, // 't is ruim en fraai met een
//Dit huis kan veler smart verzoeten;
// Maar als ge uw schuld geheel zult boeten,
// En zij hier allen wonen moeten,
//Die gij hebt arm gemaakt, dan is het veel te kleen."
T TJ L U I L E N S P I E Cl E L.
De nar, wien menigmaal veel minder geest ontbrak
T')an velen, steeds geneigd met hem den gek te steken;
Die mooglijk zich vertoonde in 't potsenraakerspak,
Om wijsheid in 't verstand van and'ren aan te kweeken :
Tijl Uilenspiegel dan, wiens naam
Met roem verbreid is door de Faam,
Had met een aantal licn zich eens op reis begeven.
Nu moest men door een dal, dan over bergen streven.
Vertoonde zich een berg, Tijl ging dien, op zijn staf,
^ Zeer langzaam en al treurende af:
Doch als men weder aan een steilte was gekomen,
Werd met vermaak door hem het klaut'ren ondernomen.
//Waarom, eilieve," vroeg er een,
// Gaat gij zoo vrolijk bergwaarts lieen,