Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
a m i n t. 105
a Ik weet hoe bitter zij van honger zullen klagen,
// Zoodra ik weêr in huis verschijn; —
« Dit zal me een grievend hartzeer zijn ; —
1 Men zal mij om mijn schuld ook uit mijn huisje jagen,
»Doch 'k wil dit alles, met Gods hulp, geduldig dragen.
//Behoud uw geld, schoon 't mij van rampspoed had bevrijd,
D En leer op welk een wijs men van zijn pligt zich kwijt."
D E ü E K E ]{ A A li.
Een AVoek'raar had, in korten tijd,
Een vorstelijken schat verkregen;
Niet door bedrog of slinksche wegen,
ó Neen ! alleen door 's Hemels zegen :
Dit zwoer hij stout en sterk, ten trots van allen nijd.
Hij liet, om voor dit heilrijk lot
De erkent'nis van zijn hart te ontvouwen,
Den armen nu een Gasthuis bouwen:
Ontwijfelbaar met vast vertrouwen,
Dat hem daarvoor het loon toevloeijen zou van God.
Beschuldigt liem van trotschen waan
Noch zielverblindend zelfbehagen!
Hij dacht slechts dat, in later dagen,
Van hem de wereld zou gewagen.
En dat licni God beminde om al zijn liefdedaên.
5**