Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET S IJ S J E.
Een Nachtegaal en Sijsje hingen
Voor Damons venster, naast elkam-.
De Nachtegaal begon te zingen:
Zijn zang verdoofde fluit en snaar.
En Damons zoontje, dat zijne oogen,
Op 't hoeren van dien schellen toon,
Naar boven sloeg, riep opgetogen:
//Wie van die twee zingt daar zoo schoon?
// O vader! wil mij toch vergunnen,
!' Dien vogel van nabij te zien !" —
Hoe zou zijn vader 't weig'ren kunnen?
Hij zet de kooitjes op zijn knicn.
//Hier," spreekt hij, * zijn ze: laat nu hooren,
// Wie van die twee, wanneer gij 't weet,
//Door 't zoet gezang u kon bekoren!"
Hij vraagt, — en 't antwoord is gereed.
Zou 't luchtig knaapje zich verschoonen?
Neen! — 't wijst op 't Sijsje, en zegt: //gewis,
1