Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
DE JONGE PEINS.
Een Prinsj nog in den bloei van zijne lentedagen,
Zag zich, door 't gunstig welbehagen
Zijns Ooms, tweehonderd stuks dukaten toegeteld,
Met dit beding, dat hij voor 't goed gebruik van 't geld
Vooral behoorlijk zorg moest dragen. —
Toen hij na een'gen tijd weêr voor zijn Oom verscheen,
Vroeg deze hem, niet zonder reen,
Of hij 't ontvangen geld had nuttig uitgegeven.
//Hier," sprak de jonge Prins, verblijd,
//Hier is mijn beurs, 't is alles bij elkaar gebleven;
u Niet één dukaat ben ik nog kwijt."
Zijn Oom nam 't geld, keek zeer te onvreden;
AVierp alles toornig op de straat,
En sprak: //leer, Prins! uw geld op beter wijs besteden:
//AYat baat het dat gij 't liggen laat?
ff Een Vorst heeft daarom veel, om weêr, ten dienst van velen,
ff Zijn schatten nuttig uit te deelen."
DE JONGELING.
Een Jongeling, die veel had van een Stad gehoord.
Waar 't vast verblijf was van den zegen,
Besloot zich met der woon te vesten in dat oord:
/Daar," dacht hij, ff wordt gems door mij 't geluk verki'egen.'