Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
90 d e allm e grij s a ard.
Heer Orgon ging dan vóór. (Ik noem hem dus, omdat
Ik nog zijn naam niet heb vernomen.)
Doch naauwlijks waren wij te halver weeg gekomen,
Of ons ontmoette een man, door jaren krom en zwak,
Voor wien — al had hij ons geen aalmoes afgebeden —
Zijn schuddend hoofd, het beven zijner leden.
Zijn grijze kruin, zijn vroom gelaat, met klem van reden.
Meer nog dan redeneerkunst sprak.
« Ach!" riep hij, // toont toch deernis op mijn smeeken !
« 'k Heb niets meer om mijn dorst te stillen; ziet mijn nood !
u 't Zal wel voor 't laatste zijn dat ik u aan zal spreken;
/' Want God zal haast mijn wensch vervullen door mijn dood.
u ó Goede God! werd ras dat uur geboren!"
Zoo sprak de Grijsaard: maar hoe liet zich Orgon hooren?
» Hoe! gij zijt reeds zoo oud, kunt naauw van zwakheid staan,
//En spreekt mij nog om drinkgeld aan?
n Moet ge eerst nog brandewijn, 6 onbeschaamde! drinken,
u Om tuimelend in t graf te zinken ?
//Wie in zijn jonkheid spaart, lijdt later geen gebrek."
Na dit verwijt vertrok de Vrek.
De schaamte perste een tranenvloed uit de oogen
Des Grijsaards, door die taal tot in de ziel bewogen.
»Gijweethet, God!..." Meer sprak hij niet. -'k Was aangedaan,
'k Had medelijden, en dit spoorde me aanstonds aan
Om hem het geld, bestemd om 't vreemde dier te kijken.
Te schenken: 'k dacht niet meer aan mijn nieuwsgierigheid,
En trachtte, omdat ik weende, in haast zijn oog te ontwijken.
Ras riep hij mij terug: //Ach!" sprak hij, nat beschreid,
»Het stuk is al te groot: gij hebt te veel gegeven:
// Zoo veel begeer ik niet: hier is het geld, Mijnheer!
n Ik bid u, geef mij maar iets weêr
//Voor eenig bier, tot onderhoud van 't kwijnend leven."
//Neen!" antwoordde ik, //het zal geheel het uwe zijn:
//'k Zie dat gij 't waardig zijt; drink ook een teugje wijn!