Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
cotil. 87
» O !" (riep men straks) « ziet daar dien onbezonnen kwant!
// Gewis 't ontbreekt bem aan verstand:
n Van bei zijn handen maakt hij voeten.
»Komt, jongens! jouwt dien zotskap uit!"
Hij echter, wat hem mogt ontmoeten.
Het zij bespotting of gefluit.
Hij ging, daar niets hem stoorde in 'toverzwaaijen,
In plaats van met fatsoen te wand'len voor de poort.
Met duikelen gestadig voort.
//Wat drommel! kijk! dat heet ik draaijen!"
(Zoo sprak er eindlijk een) « dat moet ik ook bestaan."
Dit riep hij naauwlijks, of men zag 't hem ook eens wagen.
//Ik zie," vervolgt hij, //welk een voordeel't geeft in't gaan.
// 't Is waarlijk opperbest! wien zou het niet behagen ?
»Wat schreden spaart men niet! dat is geen domme vond.
» De man is geenszins dwaas, die dit het eerst bestond."—
Des and'ren daags heeft reeds een derde 't ondernomen:
Een vierde volgde, en ras een gansche schaar.
Nu sprak men zachter van dit stuk, en vroeg elkaar
Naar hem, uit wien de vond het eerst was voortgekomen;
En eindlijk werd hij zelfs geroemd in 't openbaar.
Vang alles aan, hoe dwaas het ook moog' heeten:
Al wordt gij, als Cotil, beschimpt en uitgeki-eten,
't Wordt eindlijk goedgekeurd, hoe zeer ge eerst werd bespot.
Houd moed! ontzie geen vlijt! poog rustig voort te streven:
Een zot vindt steeds een grooter zot.
Genegen om hem lof te geven.