Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
ALCEST. 83
»Wilt gij mijn schoonzoon zijn? zoo gij haar hand aanvaardt,
»Deelt ge in den schat, dien ik door 's Hemels zegen
»Heb tot mijn eigendom verkregen. —
De sehoone schenkt haar hand den braven jongeling.
En heilrijk was voor 't paar die echtvereeniging!
Zij snellen beiden naar 't gevangenhuis, en blaken
Van sterk verlangen om den Vader vrij te maken.
Zij treden binnen, waar de diep bedrukte zit.
Wat blijde ontroering doet mij beven!
Ik zie hoe zij____maar een tooneel als dit
Wordt wel gevoeld maar niet beschreven.
E M I L E.
Emile— die, lang reeds bij verstandigen bekend,
In stilte leefde bij zijn boeken.
En veel meer vlijt had aangewend
Om kmide tot een ambt, dan om een ambt te zoeken, —
Werd eens door zek'ren vriend gevraagd.
Waarom men hem alsnog geen eerambt zag bekleeden.
Schoon reeds voorlang de Stad had van zijn roem gewaagd;
Daar m' anderen, voorzien van minder kundigheden,
Eeeds sinds geruimen tijd een ambt had zien bekleen.
» 'k Heb liever dat men vraag'," was 't antwoord, »om wat reên
» Men mij nog ambteloos laat leven,
» Dan waarom men mij toch een ambt heeft kunnen geven."