Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
matig met de gemiddelde snelheid bewoog, zou daarom een
weg afleggen, naauwkeurig gelijk aan de valruimte van den zelf-
den tijd. Daarom laat zich de valruimte ook door een vierhoek
zinnelijk voorstellen, die juist zoo groot is als de bovenste eer-
ste driehoek, in welken verder de horizontale uitgestrektheid,
welke de gemiddelde snelheid beteekent, zieh steeds gelijk blijft.
Moet nu een ligchaam met gelijk blijvende snelheid 5 ellen in
de seconde doorloopen, dan moet het juist eene snelheid van
5 ellen voor de seconde hebben. De gemiddelde snelheid der
eerste seconde van den val bedraagt alzoo 5 ellen, de eindsnel-
heid het dubbele , of 10 ellen. Deze snelheid van 10 ellen brengt
het vallende ligchaam bij het begin der tweede seconde
mede, en het zou, indien zij onveranderd bleef, reeds volgens
de wet der inertie twee ruimten, gelijk aan de eerste, doorloo-
pen ; daarbij komt eene nieuwe werking der zwaartekracht, die
het bovendien door ééne ruimte drijft, gelijk zij het in de eerste
seconde gedaan heeft. Gelijk het vallende ligchaam uit de eerste
seconde de dubbele, uit de tweede de viervoudige, zoo brengt
het uit de vierde seconde in de vij f de de achtvoudige snel-
heid (8X5 ellen) mede; derhalve zou het in de vijfde secon-
de volgens de wet der inertie 8x5 ellen afleggen , en de zwaar-
tekracht voegt er als nieuwe werking nog 1X5 ellen bij. Om
het door den geheelenweg in 5 seconden te be-
wegen, heeft de zwaarte met behulp van de wet der inertie
de snelheid, van het oogenblik der rust af tot op de eindsnel-
heid der vijfde seconde, 10x5 ellen, regelmatig doen toe-
nemen; de gemiddelde snelheid van dezen valtijd bedraagt, ge-
lijk de flguur ook toont, 5x5 ellen. Beweegt het ligchaam
zich nu met deze snelheid gelijkmatig 5 seconden lang , dan
doorloopt het 5 x 5 = 25 maal 5 ellen. Het vierkant van den
valtijd moet diensvolgens om die reden genomen worden, de-
wijl zoo wel de gemiddelde snelheid op den geheelen
weg als de daartoe bestede t ij d van den val in aanmerking
moet komen.