Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
759
de afgeslotene luchtlaag tusschen het ligchaam en de bekleeding
het ontwijken zijner warmte verhindert; een wollen t a p ij t
onttrekt als slechte warmtegeleider aan de voeten de warmte
zoo langzaam, dat haar verlies niet voelbaar wordt; daarom ook
laat de ruiter in de winterkoude de metalen st ij g beugels
met laken of stroo omwikkelen. De geheele ons omringende
dampkring heeft de inrigting van een slechten warmtegelei-
der; ware zij een goede geleider, dan zou zij in korten tijd aan
de dierlijke wereld de tot het leven noodige warmte onttrokken
hebben; daar echter de lucht, naar boven en naar de zijden
stroomende, zich beweegt, en de verschillende luchtdeeltjes, die
met het ligchaam in aanraking komen, steeds warmte met zich
nemen, hebben de dieren eene bedekking van wol, haar en
vederen als beschutting tegen een te groot warmteverlies ont-
vangen. De afgesloten, rustige luchtlaag tusschen goed sluitende
dubbele vensters en dubbele deuren biedt aan de kamer-
warmte eene slechte geleiding aan en laat ze niet ontwijken;
de tusschenruimten tusschen de dubbele wanden der ijzeren
brandkasten worden met een slechten warmtegeleider gevuld,
stoombuizen of stoomketels met eenen mantel omringd, en
de ruimte tusschen beide met kolenpoeder of asch aangevuld.
Boomen en putten worden door bedekkingen van stroo tegen
de vorst bewaard; broeikasten bedekt men met stroomatten
wanneer het koud is geworden, en kelderopeningen wor-
den in den winter met stroo of mest gesloten. De sneeuw
met de in hare tusschenruimten bevatte lucht houdt in het zaai-
koren eene toereikende hoeveelheid warmte terug; bevrozen
menschen, bij wier redding het van belang is, hen niet da-
delijk aan eene te hooge temperatuur bloot te stellen, bedekt
men met sneeuw en laat hen zoo langzaam warmer worden.
Maar gelijk door slechte warmtegeleiders het verliezen der ^fkeo-
voorhandene warmte verhinderd wordt, zoo beschutten zij ook ren der
tegen het indringen van nieuwe warmte. Zoo houden de h o u-
ten handvatsels aan metalen vaten en strijkijzers de hitte
cr. nat, 49