Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
hel- terwijl zij ze telkens omkantelen. Het schoor, waarvan men
vlak^ zich bedient om vaten op een vrachtwagen te brengen, bestaat
uit twee, door dwarsklampen verbondene houten stokken, die
schuins tegen den wagen aangezet worden. Opstijgende we-
gen zijn hellende vlakken , die voor de trekdieren het voort-
trekken van den wagen bemoeijelijken; terwijl namelijk door een
horizontalen weg de geheele last gedragen wordt, en er niets
te overwinnen is dan de door de oneffenheden van den weg ont-
staande tegenstand, hebben de paarden op een oploopenden weg
buitendien nog een deel van het gewigt van den last op te hef-
fen. Bergwegen stelt men uit onderscheidene zoo veel mo-
gelijk zacht opkopende wegen zamen, door ze aan de afhelling
van een te beklimmen berg eerst naar de regter, iets hooger
naar de linker zijde, en zoo zigzagsgewijze verder tot op de
hoogste plaats te voeren. Iedere trap en iedere ladder zijn
hellende vlakken met trappen, en des te ongemakkelijker hoe
steiler zij aangelegd zijn.
31. De wrijving.
Proef. Op een horizontaal liggend plankje, bij voorbeeld
ving. van een cigarenkistje, worde een gewigt van een pond geplaatst.
Heft men het eene einde van het plankje een weinig omhoog,
dan glijdt het gewigt er niet terstond af. Ook wanneer men het
plankje bij den achtsten duim heeft aangevat en hier 2 duim hoog
opgetild, zal het gewigt nog onbewegelijk rusten. En toch drijft
de zwaartekracht het benedenwaarts en tracht het, daar de hoog-
te van het hellend vlak in zijne lengte viermaal begrepen is,
met de kracht van '/i pond naar beneden te trekken. Diensvol-
gens moet eene sterkere kracht de beweging tegenhou-
den en ze verhinderen.
Ieder ligchaam, hoe zorgvuldig geschaafd en gepolijst het ook
zijn mag, toont, wanneer wij het door een vergrootglas beschou-
wen , niet eene gladde oppervlakte, maar rijen van hoogten en
laagten. Wordt nu een ligchaam op een ander gelegd, dan zak-