Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
690
Wet. "Wet: Steeds wordt bij den overgang van
een vast ligchaam in den vloeibaren
toestand warmte gebonden.
Koude koude in de omgeving van een smeltend
in de om- ligchaam. Een onmiddellijk gevolg dezer wet is, dat ieder
ving°\^an smeltend ligchaam aan zijne omgeving warmte
een smel- onttrekt. In het voorjaar blijft de lucht koel zoo lang sneeuw
^chL^m' ^^ ijs smelten, omdat deze de 77 graden warmte, die zij om
vloeibaar te worden noodig hebben, aan de lucht allengs ont-
trekken. Eene kamer wordt koud, wanneer er vele personen
intreden, aan wier voeten sneeuw hangt. Bevroren wijn
maakt men weder vloeibaar door de wijnflesch in koud water te
zetten, dat evenwel warmer is dan de wijn; de wijn ontdooit,
onttrekt aan het water warmte, en er vormt zich ijs rondom aan
de flesch.
Koude- Proef. Men vuile een of ander vat ten deele met water (of
en onderzoeke zijn temperatuur door er een thermome-
ter in te zetten. Daarop schudde men er versch tot poeder ge-
stooten salpeter in en roere dit mengsel om. Het mengsel zal
verscheidene graden warmte minder toonen dan te voren ^ het
water alleen. Het salpeter gaat uit den vasten in den vloei-
baren toestand over en verbruikt daartoe warmte, die het bindt
en aan het water onttrekt.
Door zulke vermengingen van zouten met ijs, sneeuw of wa-
ter wordt eene koude voortgebragt, welke de suikerbakkers tot
het maken van kunstijs gebruiken. Voor ieder verkoelend
mengsel moeten de zouten versch tot poeder gestooten zijn,
en indien men eene toereikende koude wil verkrijgen in niet
te geringe hoeveelheid, ten minste twee of drie pond, genomen
worden. Het water, dat men in ijs wil veranderen, wordt in
eene cilindervormige of beter platte metalen bus gegoten, en
deze zet men in eene grootere geheel met wol omringde kom,
in welke het verkoelend mengsel gedaan wordt. Dit kan uit 6