Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
683
matige winclen, die voor de koopvaardijschepen den overtogt
van Europa naar Amerika mogelijk maken, als de veranderlijke
winden onzer streken,
worden er door voort-
gebragt. In het mid-
den van den aardbol
ligt eene streek, waar
wind en weder ge-
maakt worden voor
de gansche aarde ,
de streek der windstilten of kalmte n. De loodregt
neervallende zonnestralen doorgloeijen hier den dampkring zoo
zeer, dat hij voortdurend opstijgt en geenen wind heerschend
laat worden, of het moest een storm zijn, die eensklaps uitbrak,
en met hem stijgt van de onmetelijke vlakken van den Atlan-
tischen eu den Grooten oceaan eene ontzettende hoeveelheid
waterdamp op. Maar daarvoor dringen van de polen, van het
noorden en zuiden, koudere luchtstroomen nabij de aardopper-
vlakte bestendig naar den aequator toe. Deze luchtstroom, op
het noordelijke halfrond van de noordpool, op het zuidelijke van
de zuidpool komende, vormt den eenen hoofdwind der aarde. Hij
blijft echter niet een noordenwind of zuidenwind, maar treft
den heeteu aardgordel in andere rigting. Bij de omwente-
ling der aarde om hare as draait eene luchtmassa aan
de pool slechts om zich zelve, zonder voorwaarts te komen;
ieder punt van de evennachtslijn daarentegen doorloopt in een
uur eenen weg van meer dan veertig duizend mijlen. Terwijl de
lucht zich van de pool naar den evenaar beweegt, glijdt de
aarde als 't ware onder haar door, en de punten, in de nabij-
heid des evenaars liggende, welke de luchtstrooming had moe-
ten treffen, zijn ondertusschen naar het oosten voortgespoed.
De wind treft daarom westelijker gelegen punten van den heeten
aardgordel, gaat van de noordpool naar het zuidwesten en van
de zuidpool naar het noordwesten en vertoont zich in het noor-