Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
637
men, dat een bepaald standpunt moet innemen. Men ziet
namelijk een regenboog slechtsdan, wanneermen
eene regenwolk voor zich en de zon in den rug
heeft. Slechts door eene terugkaatsing van den donke-
ren achtenvand der regendroppelen wordt het mogelijk dat de
gekleurde stralen in het oog komen. Gelijk zich ook met een
glazen bol vol water, op welken men in eene verduisterde ka-
mer een zonnestraal leidt, laat bewijzen, worden de zonne-
stralen bij de intrede in de regendroppelen ge-
broken, door hunnen donkeren achterwand te-
rug gekaatst en bij het uittreden uit de droppelen
nogmaals gebroken en in gekleurde stralen ver-
deeld. Op de ontstane droppelen valt de zonnestraal S A,
ondergaat bij zijne intreding daarin in het punt A zijne eerste
breking en ontmoet in 13 den donkeren achtenvand van den
droppel; door dezen terug ge-
kaatst, wendt de lichtstraal zich
naar C en wordt hier bij zijn
uittreden in de lucht in zeven
gekleurde stralen ontbonden,
onder welke de onderste, roode
straal het minst afgeleid is en
van de rigting van den opval-
lenden zonnestraal S A 42 gra-
den , bijna de helft van een
regten hoek, afwijkt.
Welke onder de gekleurde stralen in het oog komt, hangt van
den stand van dit laatste af; bevindt het zich in de rigting der
roode stralen dan neemt het deze waar, in de rigting der gele
daarentegen de gele stralen. Ligt kan men aan dauwdroppe-
len, die aan planten hangen, de waarneming doen, dat iedere
droppel bij een bepaalden stand van het oog er slechts eene
enkele soort van gekleurde stralen aan toezendt.
Van deze wijkt de rigting der overige gekleurde stralen zooda-