Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
635
diensten zou volgens § 315 een hol glas bewijzen, dat men
achter het bolle glas aanbragt; maar daar het even zoo hol moest
zijn als het andere bol is, zoo zou de werking van het bolle
glas geheel ophouden en er zouden in 't geheel geene beelden
ontstaan. De breking moet blijven, maar de ontbinding
in kleuren moet ophouden. Het holle glas moet dus m in-
der uitgehoold zijn, dan werkt het met de bolle lens te
zamen, als een minder bol glas. Ondanks zijne geringere uit-
holing moet het echter de gekleurde stralen even zoo sterk
verstrooijen en de violette even zoo ver van elkander ver-
wijderen als zij door het bolle glas te vroeg tot elkander gena-
derd zijn. Wij zoeken daarom voor de holle lens eene stof, die
bij geringer uitholing een even zoo lang, bij gelijke uitholing
of helling een langer kleurenbeeld geeft dan het gewone
spiegelglas.
Proef A. Een drachma loodsuiker (azijnzuur loodoxy-
de) wordt in een weinig meer water opgelost dan het holle
prisma bevatten kan ; wordt de oplossing troebel, dan voege men
er eenige droppels azijn bij, tot zij doorzigtig wordt. Nu vuile
men het prisma eerst met water, vange het ontstaande kleuren-
beeld, zoo als in proef 335 , met een wit scherm op en lette
zoo wel op de plaats der middelste gele stralen als op de ge-
heele lengte van het kleurenbeeld. Daarop giete men het water
uit en brenge in plaats daarvan in het prisma de oplossing van
loodsuiker. Bij den zelfden stand van het prisma en het scherm
vertoonen zich de gele stralen op de zelfde plaats als te voren;
maar het kleurenbeeld is veel langer. Door loodhoudende
zelfstandigheden worden diensvolgens de middelste stra-
len niet sterker gebroken, dan door de zelfde stoffen, die vrij
van lood zijn, terwijl de violette eene veel sterkere afleiding
ondergaan.
De Engelschman Dollond vond in 1757 een loodhoudend
glas uit, flintglas, dat zich op gelijksoortige wijze tot het
gewone glas, het kroonglas, verhoudt. Achter eene bolle