Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
636
wordt door dezen op de af te beelden voorwerpen geworpen;
deze zijn met doorschijnende kleuren op strooken glas geschil-
derd en worden door eene opening tusschen de lamp en de len-
zen ingeschoven. De digt bij elkander staande lenzen werken
als eene enkele, sterk gewelfde, en hebben het voordeel dat zij
aan het beeld eene grootere helderheid geven. Door haar wordt
op grooteren afstand een omgekeerd en vergroot objectief beeld
ontworpen en op den wand van eene donkere kamer of op eene
doorschijnende gordijn opgevangen. Opdat de beelden een reg-
ten stand verkrijgen, moeten de beschilderde glasreepen er ver-
keerd ingeschoven worden.
Tot het voortbrengen van nevel- of zwevende beelden
(dis sol ving views) worden twee gelijke tooverlan-
t a a r n s vereischt. Iedere daarvan werpt, zoo lang er nog geene
glasreepen met beelden ingeschoven zijn, een helderen cirkel
op de doorschijnende gordijn, voor welke de toeschouwers zich
bevinden; beide lantaars worden nu zoo gerigt, dat de door haar
beschenen cirkels naauwkeurig in eenen zamenvallen. Alsdan
wordt de vlam in de tweede lantaarn zoo klein mogelijk gehou-
den , een scherm er voor gezet en b.v. eene glasreep met een
winterlandschap ingeschoven, dat zich thans niet op de door-
schijnende gordijn kan afbeelden. In de eerste tooverlan-
t a a r n daarentegen met helder glinsterend licht wordt eene glas-
reep met de zelfde landouw, als zomerlandschap geschilderd,
ingezet. Terstond verschijnt dit zomerlandschap in volle duide-
lijkheid op de gordijn. Maar terwijl men het heldere licht der
eerste lantaarn langzamerhand verzwakt, verliest het landschap
zijne duidelijke omtrekken en vertoont zich onduidelijk en als in
nevel gehuld. Gelijktijdig verwijdert men het scherm van de
tweede tooverlantaarn met het winterlandschap en vermeerdert
hare verlichtende kracht; zoodra zij genoegzaam helder brandt,
en het scherm voor de eerste lamp gezet is, treedt het helder
verlichte winterlandschap, uit den nevel te voorschijn komende,
in de plaats van het zomerlandschap. Ondertusschen wordt in