Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
598
voonver]} er verder van ver w ij d e r d; slechts voor even
ver vermjderde ligchamen vallen de beelden ook op gelijken af-
stand van de lens. Daarom zouden slechts voorwerpen, die zich
op een bepaalden afstand van het oog bevinden, door de kristal-
lens juist op het netvlies afgebeeld kunnen worden; de beelden
vau verwijderde voorwerpen zouden digter bij de lens zijn en
voor het netvlies vallen; en omgekeerd zouden de beelden van
digter bij gelegene voorwerpen achter het netvlies vallen en
insgelijks geen duidelijk zien mogelijk maken.
Proef. Men houde een potlood of een aan het eene einde
verkoold zwavelstokje zoo in de hand, dat er slechts een heel
kort puntje van het potlood of de kool uitsteekt, en brenge
deze op een afstand van 18 a 20 duim of een weinig verder,
waarop men het puntje scherp ziet, voor het eene opene oog.
Ziet men de n a b ij z ij n d e punt duidelijk, dan vertoonen de
verwijderde voonverpen zich nevelachtig en in elkander vloei-
jende; de stralen, die er van uitgaan, worden bij dezen toe-
stand van het oog niet op het netvlies vereenigd. Bleef het
oog altijd in dezen toestand, dan zou het verwijderde voorwer-
pen nooit duidelijk zien. Nu zie men echter naar een veraf
gelegen voorwerp; neemt men het duidelijk waar, dan
wordt het nabijzijnde puntje der kool niet duidelijk gezien. Het
oog heeft thans eenen anderen toestand aangenomen, waarin
het slechts in de verte duidelijk ziet.
Heeft men een geruimen tijd aanhoudend in de verte gezien ,
en wendt men daarop den blik naar nabijzijnde voorwerpen, dan
gevoelt men dat er in het oog eene verandering voorvalt, die
het eenige inspanning kost. Aan het gezonde oog is de merk-
waardige eigenschap verleend, zijne gedaante te veranderen en
zich tot het zien in de verte en in de nabijheid in te rigten.
Dit vermogen om zich naar den afstand der voor-
werpen te schikken, heet het accommodatiever-
mogen van het oog. Bij beschouwing van nabij zijn de
voonvei-pen wordt door eene zamenwerking van verschillende