Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
569
gevolge daarvan moet een schuin invallende stralenbundel aan
de scheidingsvlakte eene zwenking ondergaan, zoo als de vol-
gende proef dit voorstelt. Men bedekke het benedenste ge-
deelte van een hellend vlak met een gespannen gehouden glad
doek, doch zoo dat de
309. bovenste kant van het
doek Ti schuin over het
hellend vlak loopt; eene
naar beneden loopende rol
zal zich op het doek met
geringer snelheid
voortbewegen, dan opliet
hoogere gedeelte van het
hellend vlak, op de zelfde
wijze als de lichtstralen in eene digtere stof. Een rond staafje
worde boven op het vlak gelegd; het rolt naar beneden en valt
schuin op de scheidingsvlakte Tl', zijn eene einde is in het
punt /i en beweegt zich langzaam, terwijl zijn andere einde nog
in ƒ is en sneller voortgaat. Daarom zwenkt het geheele staaf-
je, en zijne einden doorloopen nu de lijnen bg en d /i. Had
het de scheidingsvlakte onder regte hoeken getroffen, dan zou
er geene zwenking plaats gehad hebben. Laat Tt de gi-ens zijn
tusschen een gebaanden weg en een geploegden akker, en in
de rigtingen a b cn c rf een regiment ruiterij in een draf komen
aanrijden. Op het veld aangekomen, kunnen de paarden slechts
stapvoets gaan. Daar het regiment slechts in schuine rigting
tegen de grens van het veld aanrukt, rijdt de eene vleugel van
ƒ naar d nog in den draf, terwijl de andere, in b vroeger op
het veld gekomen, reeds langzaam voortrukt. Door dit snellere
voortrukken van den eenen vleugel wordt de stelling der ge-
heele kolonnen anders, zij zwenkt en zet in de banen d h en
bg haren marsch voort. Ware zij onder regte hoeken op het
veld aangekomen, dan zou er geene reden tot zwenking bestaan
hebben. Zoo gaan ook de onder regte hoeken invallende stra-
37*