Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
546
men den boog N naar graden of met den passer; de plaats
O, die de terug gekaatste straal M O treft, zal even zoo ver
van P liggen als N van »S; de bogen A'S en OP zijn gelijk;
maar de bogen zijn eene maat voor de hoeken E en Z, welke
derhalve eveneens aan elkander gelijk zijn. De terug gekaatste
straal M O vormt met de oppervlakte des spiegels eenen even
zoo grooten hoek als de invallende straal N M, Doorboort men
de plaats O en houdt men er het oog voor, dan ziet men in
de rigting O M den verblindenden lichtglans der zon of der
vlam.
Proef /y. Op een horizontaal liggenden spiegel plaatse men
loodregt een halven cirkel en bevestige aan dezen laatsten er-
gens in N een blinkend bolletje, het gemakkelijkst een spelde-
knop, terwijl men er de speld doorschuift. Bepaalt men nu met
behulp van den passer een punt O, dat zich aan den halven
cirkel even hoog boven P verheft als de speldeknop boven S, of
maakt men den boog O P zoo groot
als den boog A' S en legt men het
oog aan O, dan zal men, naar M
ziende, in den spiegel het beeld van
den speldeknop waarnemen. Maar
zoodra men het midden M van den
spiegel of he"t een of ander punt
der lijnen N M of M O met den
vinger bedekt, is het beeld niet waar te nemen. De lichtstra-
len, van A' naar het midden van den spiegel uitgezonden, hebben
daarom na de terugkaatsing den weg M O afgelegd. Zij zijn in
het vlak van den halven cirkel gebleven en zijn onder een hoek
Z terug gekaatst, die even groot is als de hoek e, onder welken
zij invielen 1). Zoo volgen dan als
i'ig. 284.
1) Men zal wel doen, hierbij den spiegel onder den halven cirkel
met een stuk papier te bedekken, waarin juist bij M eene opening
van niet meer dan 6 a 8 strepen middellijn is gemaakt. Ook bij