Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
542
het scherm des photometers verwijderd geplaatst cn de eene
aangestoken. Naauwelijks had zij eene minuut gebrand, of ook
de tweede kaars werd aangestoken. De schaduwen vertoonden
zich ongelijk, en de eerst aangestoken kaars moest tot op een
afstand van 3 palm bij het papier gebragt worden. Op drie
palm afstands verkrijgt iedere plaats van het scherm slechts een
negende gedeelte van de hoeveelheid lichts, die er op een palm
afstands op vallen zou; op 5 palm afstands slechts '/^g. Daar
de schaduwen gelijk geworden zijn, zoo verschaft de eerst aan-
gestokene kaars met '/g harer lichtsterkte even zoo veel als
de andere kaars met y^.; met hare geheele, negen maal zoo
groote lichtsterkte zou de eerste kaars even veel opleveren als
de tweede met y^s > of lichtsterkte der eerste bedraagt
van de lichtsterkte der later aangestokene kaars. Derhalve neemt
de lichtsterkte eener smeerkaars zoo snel af, dat zij na eene
minuut niet meer half zoo groot is als onmiddellijk na
het aansteken of snuiten.
Snelheid 298. De snelheid van het licht. Het licht legt iu een
van het
licht, oogenblik duizenden mijlen af. Wanneer daarom ook van twee
niet even ver verwijderde heldere voorwerpen op aarde te gelij-
ker tijd lichtstralen uitgaan, dan komen zij toch genoegzaam te
gelijker tijd in ons oog aan. De snelheid van het licht is te
groot dan dat zij door waarneming van aardsche voorwerpen
bepaald zou kunnen worden.
De deensche sterrekundige Olaf Eömer vond in het jaar
1675 de snelheid
^'ë- 282. het licht
bij de waarne-
ming der ma-
nen van Jupi-
t e r. Wegens de
grootte van Jupi-
ter en den gerin-
gen afstand der